|
Sjtil is ’t doaboave óp deë huevel. De zommerzon is koom tse zieë. Aaf en tsouw e sjtuufje wink. E jruupje lu sjtunt jet bijenee. Ze sjtare uvver ’t land. Jraad hant ze mit e paar man inne körf eróp jedrage. De sjoeëlkammerade va vruier. Inne letste jrós an inne va hön. Dat is ziene wónsj. Tse raeste in de natoer. In e naes va riet. Heë is in inne dóch jewikkeld. Zonneblomme ligke óp ‘m. D’r körf is óp. De doater zingt e lid. ‘Ins jees te’. 2021
|
Stil is het daarboven op die heuvel. De zomerzon is nauwelijks te zien. Af en toe een vleugje wind. Een groepje mensen staan bijelkaar. Ze staren over het land. Net hebben ze met een paar mannen een korf naar boven gedragen. De schoolvrienden van vroeger. Een laatste groet aan een van hun. Dat is zijn wens. Te rusten in de natuur. In een nest van riet. Hij is in een doek gewikkeld. Zonnebloemen liggen op hem. De korf is open. De dochter zingt een lied. ‘Eens ga je’. Langzaam laten ze hem naar beneden zakken. In een bed van aarde en bloemen. het kussen van eeuwigheid De een na de andere draait zich om. De heuvel naar beneden. Ze hebben nog bijeen gezeteen. Ergens in een café. Verbonden door het verleden en het huidige. Frasns zit in de kamer. Kijkt naar de kerstboom. Hij heeft ‘m net opgezet. Nu nog de kerststal. Daar wacht hij mee. De zin ervoor is er nog niet. Hij wil naar buiten gaan. En dat doet hij. Doet de jas aan. Loopt naar de heuvel van deze zomer. Stap voor stap. het is stil. Een bleke zon. Nauwelijks wind. Bij een hoopje grond blijft hij staan. Wat kersttakken liggen erop. Graf van de schoolvriend. Een bed van dennennaalden. ‘Kerststal,’ fluistert Frans. ‘Ja, een kribbe met stro. Dat is mijn wens. Levend in het verhaal.’ Hij staart over het land. denkt aan het liedje van de dochter. ‘Eens ga je.’ Een herder laat zijn schapen grazen. ‘Het kerstverhaal kompleet,’ denkt Frans. Langzaam gaat hjij de heuvel naar beneden. Stap voor stap. Een lastdier. Graagt levneslust. In kerstbloei. In het café gaat hij aan het tafeltje zitten van voorbije zomer. Laat ze in gedachte nog eens voorbij komen. De schoolvrienden van ooit. Het verhaal van altijd. Buiten doet hij de kraag omhoog. De lucht is grijs. De wind steekt op. Bij een winkel zingt een koor. Het gaat over herders, schapen en engelen. Op een hoopje stro zit een vrouw. Ze steekt haar hand uit. ‘Gelukkige kerstmis.’ Frans voelt in de zak. Heij heeft nog wat munten. Geeft ze aan de vrouw. ‘Dank heer.’ Hij loopt door. Hoort het koor nog altijd zingen. Nu over het kind warm in de kribbe. Frans pakt de beurs uit de binnenzak. Gaat terug naar de vrouw. Hij geeft haar geld. Nu is het een briefje. Ze zet grote ogen op. ‘Een warme kribbe voor oedereen,’z\egt Frans. Thuis zet hij de kerststal op. Daar heeft hij nu zin in. Op de zolder staat hij op een plank onder een deken. Als hij ‘m pakt, ziet hij ’t meteen. Fijne houtstof valt eruit. In het dak zitten kleien gaatjes. Frans zucht eens. ‘Houtworm’ Ook de kerststal vergaat. Maar het verhaal blijft. Inde herinnering van het kind in de kribbe. De schoolvriend op de heuvel. De vrouw in het stro. De kerststal voor altijd. Frans zet ‘m onder de boom. ‘Gelukkige kerstmis.’ {gotop} |

