|
De jardienge zunt an zie jesjaove. An duur vilt inne fienge sjmies. ’t Irm kiekt eraaf noa de nase sjtroas. ’t Is leëg en sjtil. De jesjefter zunt jesjlaose. Óp d’r ek is e restaurant. Dat is al ing janse tsiet tsouw. Corona hat ’t aafjesjlaose. ’t Irm drónk ziech doa jeer ing tas kaffe. En ’t mörjens, wen ’t va de naatdeens koam, oos ’t ziech e bruedje d’rbij. D’r Jacques van ’t restaurant hauw ummer e vrundlieg woad vuur ‘m. ’t Dong ‘m jód. In ’t sjpetaal is vöal betrieb. En vuural leed. Dat jeet mit ’t Irm mit noa heem. Bij d’r Jacques koam ’t e bis-je óp oam. Heë is ‘t vurriegs joar mit ’t restaurant aajevange. Kling en werm. Heë kunt oes Frankriech. ’t Restaurant neumt heë dan óch: ‘Chez Jacques’. Zatst in de zommertsiet e paar dusjer an duur mit jet sjteul. ’t Irm zoos doa jeer. In de zon. Jraad in de vrugde van d’r mörje. 2020 |
De gordijnen zijn open. Buiten valt een fijne motregen. Irma kijkt naar de natte straat beneden. Het is leeg en stil. De winkels zijn gesloten. Op de hoek is een restaurant. Dat is al een hele tijd dicht. Corona heeft het afgesloten. Irma dronk daar graag een kop koffie. En ’s morgens, wanneer ze van de nachtdienst kwam, at ze een broodje erbij. Jacques van het restaurant had altijd een vriendelijk woord voor haar. Het deed haar goed. In het ziekenhuis is veel bedrijvigheid. En vooral leed. Dat gaat met Irma mee naar huis. Bij Jacques kwam ze een beetje op adem. Hij is vorig jaar met het restaurant gestart. Klein en warm. Hij komt uit Frankrijk. Het restaurant noemt hij dan ook ‘Chez Jacques’. Zette in de zomertijd enkele tafels buiten met wat stoelen. Irma zat daar graag. In de zon. Graag in de vroegte van de morgen. ‘Goede morgen, Irma.’ Goede morgen, Jacques.’ Koffie en broodjes deden een wonder. Ze boog zich iets voorover. Dronk een slok. Het begin van een dag om uit te rusten en straks weer om mensen te redden. Irma kijkt naar de overkant. Verleden zomer ging daar een vrouw wonen. Boven de klerenwinkel. De meubels kwamen met een vrachtauto. Mannen droegen alles naar binnen. Een paar dagen later stopte een bestelbus voor de deur van de jonge vrouw. De chauffeur belde aan. Maar de deur ging niet open. Irma zag het vanuit haar kamer. Ze maakte het raam open. ‘U kunt het ook bij mij afgeven.’ Op de doos kan ze de naam lezen. ‘Gitte Verjans’. Wanner ze naar binnen gaat, hoort ze een stem achter zich. De jonge vrouw staat op het balkon. ‘Ik ben thuis.’ ‘O, een doos voor Gitte.’ Irma lacht. ‘Dat staat op de doos.’ De voordeur ging open. Ik kom net uit het bad.’ Gitte had een handdoek op het hoofd. ‘Ik zie het. “De haren zijn nog nat.’ Irma geeft de doos af. ‘Mijn naam is Irma.’ Ze keken elkaar aan. Namen zich de tijd om de lach te genieten. Daarna zagen ze elkaar nog wel eens buiten. Een keer bij Jacques. Een kop koffie drinken. Mee en mee kwamen ze iets meer uit hun leven te weten. En iedere keer genoten ze hun lach. Als de balkonduur bij Gitte open stond, klonk muziek naar buiten. De viool van Gitte.’Jij speelt mooi,’ zei Irma’. Dat zijn mijn repetitiestukken.’ Ze speelt in een orkest. Maar haar hart ligt toch bij jazzmuziek. ‘O, daar begrijp ik niet zoveel van,’zei Irma. ‘Ook niet voelen,’ vroeg Gitte. Irma lachte. ‘Muziek voor de zondagmiddag.’ De volgende zondagmiddag, dat Irma thuis was, stond bij Gitte de balkondeur wagenwijd open. Jazzmuziek klonk naar buiten. Het gordijn was bij Irma aan de kant geschoven. Het raam open. Zo keken de twee vrouwen elkaar aan. Ieder vanuit zijn eigen huis. Ze zwaaiden en vooral lachen. Nu is het raam gesloten. De winter staat voor de deur. Kou en vroege duisternis. Men blijft meer in huis. Gitte hangt wat lampjes aan de balkondeur. Ze ziet Irma staan. Ze zwaaien naar elkaar. En daar is die weer. De lach. Nu op afstand. Echter even diep. de balkondeur gaat open. Gitte komt naar buiten. Ze heeft een doek omgeslagen. De viool in haar handen. Irma maakt het raam open. ‘Holy Night,’ klinkt door de straat. Een vrouw met een hondje komt langs. Ze blijft staan. Ook Jacques staat buiten. Ze klappen in hun handen. ‘Bon Noël,’ roept Jacques. Irma en Gitte zwaaien. Kijken elkaar aan. En knikken. Ze gaan naar binnen. Tegelijkertijd gaan de voordeuren open. De twee vrouwen lopen naar elkaar toe. Gitte maakt de doek om de schouders open. Ze sluit Irma in de doek. Tegen zich aan. ‘Onze warmte,’ fluistert ze. Jacques is naar binnen gegaan. Het duurt niet lang eer hij weer naar buiten komt. Hij heeft een muts op zijn hoofd en een jas aan. Draagt een dienblad met glaasjes in de handen. ‘Op de liefde,’ zegt hij. Ook de vrouw met het hondje krijgt iets om te drinken. ‘Op de liefde,’zeggen ze tegen elkaar. Die avond branden de lampjes bij de balkondeur. Een een kaars op de vensterbank van Irma. Een verhaal geboren. Midden op straat. Een terras van liefde. De motregen verdampt. In een warme lach.
|

