Week 21 – Vlag
Op de tafels van de kinderen liggen boeken. Grote schrijfboeken. Vandaag is het grote sommen- en woordendag. Ze zitten keurig achter elkaar.
Week 20 – Pen
Het is stil in de klas. De hele morgen is het al rustig. Geen herrie, geen ruzie, geen lachen. Alles gaat vanzelf. Muisjesstil rekenen. Fluisterend taal.
Week 19 – Lui
Guus zit achterover op zijn stoel. Zijn benen gestrekt onder zijn bureau. Hij zucht en strekt zijn armen in de lucht. ‘Wat moet ik nog doen? Jullie kennen en kunnen al zoveel.
Week 18 – gang
De kinderen zitten op de gang bij de leestroon. ‘Vandaag mag Joyce beginnen,’ zegt Guus. ‘Joyce heeft vandaag vertelogen.’ Lachend gaat zij op de troon zitten.
week 17- Ei
Ron zit op de stoeprand van het pleintje voor de school. Kevin zit naast hem. Rob en Lesley komen aanlopen. Zij blijven bij hen staan. ‘En,’ zegt Lesley, ‘hebben jullie feest gevierd?
week 16 – Jezus
Joyce steekt de vinger op. 'Ik zag op de televisie, dat Jezus doodgaat.' Kevin lacht. 'Die is toch allang dood.'
Week 15 – Vinger
‘Vroeger was ik zo groot als jullie. Toen speelde ik graag op straat. Behalve wanneer ik straf had. Dan mocht ik niet naar buiten. Liever kreeg ik een draai om mijn oren.
Week 14 – Rotdag
‘Haast je een beetje,’ zegt Mariet. ‘Je treuzelt.’ Guus zit tegenover haar aan de tafel. Hij leest de krant. ‘Nog even dit lezen.’
Week 13 – Fluiten
Het is mooi weer. De zon schijnt. De stralen maken de knoppen aan de bomen wakker. Nog even dan maken ze ook de ramen open. Aan de boom voor de klas hangt een nestkastje.
Week 12 – Ballon
‘Wat een kabaal!’ Guus slaat met zijn hand op het bureau. ‘Het lijkt wel dierendag.’ Zoiets moet je natuurlijk niet zeggen. In een mum van tijd beginnen de kinderen te blaffen en te miauwen.
Week 11 – hond
Opa Wilms zit op de bank bij het grasveld voor zijn huis. Zijn handen leunen op een wandelstok. De februari-zon staat laag aan de hemel, maar geeft al wat warmte.
Week 10 – Snoepjes
Door de straten trekt een optocht van bonte kleuren. Het is vandaag vrolijke-mensen-dag. Daarom is er geen school. Rob en Ron staan bij de boom.
Week 9 – Slingers
De kinderen hebben een dag vrij. Maar niet Guus. Een meneer komt naar school. Hij vertelt belangrijke dingen. De meesters en juffrouwen moeten dit allemaal onthouden.
Week 8 – Krantenkop
De toeter klinkt. Over de speelplaats ligt een deken van wolken. Kinderen rennen deukjes in het mistbed. Hun stemmen zweven naar Guus.
Week 7 – Krant
Meneer Wiel staat in de deuropening. Hij heeft de telefoon in zijn hand. Guus zwaait naar hem en wijst naar de telefoon: ‘Heb je een lopend oor?’
Week 6 – Griep
'Kijk daar. Ik zie een muis.' Deniz kijkt rond. 'Waar Kevin?' 'Daar achter. Bij de muur van de school.' 'Ik zie niets.'
Week 5 – Vogel
Kevin houdt een blaadje vast. Het is een verhaal van de kinderen uit het boomboek. 'Lief, Al en Leen gaan niet naar school. Is dat niet gek?' Kevin leest het voor.
Week 4 – Sneeuw
'Ach ja, ach ja. Jij weet het weer,' roept Joyce. 'Wat is er,' vraagt Guus.
Week 3 – Prullenbak
Een week geleden namen de kinderen een briefje mee naar huis. Erboven stond met grote letters geschreven, UITNODIGING.
Week 2 – Bril
‘Ik heb een nieuwe bril. Kijk maar’. Uit een doosje haalt Guus een bril en zet die op. ‘Dit is een hele dure. Jullie mogen 10 minuten lachen. En wie dan nog lacht krijgt straf.’
Week 1 – Sleeën
‘Buiten is het wit,’ Guus wijst naar het raam. ‘Binnen niet.’ ‘We kunnen toch het raam open zetten,’ zegt Ron. ‘Dan wordt het hier ook wit.’

