| Aajesjpeuld
Mit muite leuft d’r Kasper durch d’r mulle zank. Óp ’t sjtrand ligke sjtukker hoots. Jister aajespeuld. Inne van de letste herfsjtórme van ’t joar. Ziene opa zouw noen besjtimd mit peëd en kaar langs de zieë jevare han. Jenóg um óp tse lane. Heë kank bauw al jebroeche. Um tse verkofe of vuur ziechzelver. Tsezame mit de oma kank heë doava leëve. Daag noa daag langs de zieë. Vertrók vanoes zie huus-je in de duinen. Zieng breur en ziene pap woare visjere óp zieë. Heë nit. Koam nit wieër wie d’r rank. Ejentlieg woeët heë nit vuur vol aajezieë. Bis deë inne daag. Heë vong ing flesj mit e brifje dri. In ’t Engelsj jesjraeve. ’t Adres van ing jong vrauw. Heë sjrievet heur inne brif. Zoeë vong de bekandsjaf aa. Ing sjun vrauw. De visjere wóste nit wat ze zoge. De jroeëse leefde. |
Aangespoeld Met moeite loopt Kasper door het mulle zand. Op het strand liggen stukken hout. Gisteren aangespoeld. Een van de laatste herfststormen van het jaar. Zijn opa zou nu beslist met paard en wagen langs de zee gereden zijn. Genoeg om op te laden. Hij kon bijna alles gebruiken. Om te verkopen of voor zichzelf. Samen met oma kon hij daarvan leven. Dag na dag langs de zee. Vertrok vanuit zijn huisje in de duinen. Zijn broers en zijn vader waren vissers op zee. Hij niet. Kwam niet verder dan de rand. Eigenlijk werd hij niet voor vol aangezien. Tot die ene dag. Hij vond een fles met een briefje erin. In het Engels geschreven. Het adres van een jonge vrouw. Hij schreef haar een brief. Zo begon de kennismaking. De vissers wisten niet wat ze zagen. De grote liefde. ‘Straal van een vuurtoren,’ zo noemde opa haar. Ze voelden zich veilig bij elkaar. Zijn bij elkaar gebleven. Op oudere leeftijd hebben ze nog een jongen gekregen. De vader van Kasper. Heette ook Kasper. Een geschenk voor hen. Kort voor midwinter. Hun hele leven hebben ze daar gewoond. De vader van Kasper trok later het land. Het huis bezocht hij gewoonlijk in de zomervakantie. Kasper kan het zich nog goed herinneren. Zomervakantie aan de zee. Hij raapt een fles op. Wrijft het zand ervan af. Even schiet het hem door het hoofd. Een wens. Een briefje. De fles is leeg. Hij legt ze weer in het zand. Loopt door. Het is gemakkelijker om over het natte zand te lopen. Ook Kasper is enigst kind. Hij heeft het huis geërfd. Gasten laat hij erin wonen. Een man in het dorp regelt voor hem de huur. In de wintertijd staat het gewoonlijk leeg. Kasper kijkt omlaag. Ziet de afdruk van zijn schoenen. Hij draait zich om. Achter zich de voetstappen in het natte zand. Herinneringen tot het volgende hoogwater. Ze spoelen in de zee. Met de fles. Op zoek naar een adres. Gisteravond is hij aangekomen. Een paar dagen vrij van zijn werk. In de kersttijd. De rand van de zee trekt hem. Een oud verlangen. Het verhaal van opa. Van strandvakanties met mam em. pap. De zon zakt dieper. Kasper kijkt ernaar. Staart. In de wind hoort het piepen van de wielen. De kar van opa. Zoeken en vinden. Hij voelt zich gevangen. De twijfel tussen zee en strand. De golven en het zand. ‘Ga je mee? Ik ga,’ zei Michelle. ‘Ik blijf hier. ‘Hij liet zijn vriendin gaan. Over de zee. En hij bleef. Bij zijn zekerheid. Tot gisteren. Een gevoel van kwijt zijn. Zichzelf niet voor vol aanzien. Direct na zijn werk stapte hij in de auto. Terug naar waar het begon. Daar hebben ze zich leren kennen. Michelle en hij. Kasper loopt terug. Nu weer door het mulle zand. Zijn voetstappen blijven achter. Kleuren in de diepe zon. De fles raapt hij weer op. Neemt ze mee. Bij de deur van het huisje klopt hij het zand van de schoenen. In de stal liggen stukken drijfhout. Hij duwt ze in de haard. Vlammen flakkeren op. De fles staat op de tafel. Hij blaast erin. Zijn adem. Fluistert: ‘Ik hou van jou.’ Van een stukje krantenpapier maakt hij een prop. Een stop voor de fles. De vuurtoren werpt de eerste stralen. Het begin van de langste nacht. Bij de voordeur hangen klokjes aan een touw. Ze klingelen. Heel even. Kasper kijkt door het raam. De zee is kalm. Windstil. Het gras beeft nauwelijks. De klokjes klingelen weer. Nu iets harder. Kasper maakt de voordeur open. Een figuur licht op in de straal van de vuurtoren. Een hand aan de klokjes. Duwt zacht. Ze klingelen. Even. Lang genoeg om te klinken. ‘Wij hebben elkaar gevonden.’ fluistert Michelle. ‘Je was niet op je werk en niet thuis. Kon maar op een plaats zijn. Kasper lacht. ‘Bij elkaar aan gespoeld.’ met fonkelende sterrenogen kijken ze elkaar aan. ‘Om te blijven,’ spreken ze elkaar na. Buiten speelt de wind door de klokjes. Een straal streelt de winterlucht. Een verhaal geboren. Een wens. Een geschenk. |

