Speculaas
Over de straat loopt een man. Aan een arm hangt een plastic zak van AH. Bij een afvalbak blijft hij staan. Met een hand woelt hij in de bak. Hij diept een handvol schillen van pindanootjes op. Tussen kastanjebruine vliesjes ontdekt hij hele noten. Hij pakt de noten en stopt ze in de mond. De schillen liggen op de grond. In zijn witte baard hangen resten van de vliesjes. De mond kauwt met de snelheid van een jonge aap. Op zijn sportschoenen loopt hij naar het hok bij de bushalte. Hij gaat op de bank zitten. Een bus stopt. Een vrouw met een peuter stapt uit. “Kijk, Sinterklaas.” Het kind wijst. “Kom, Joyce.” De moeder pakt het kind bij de hand en loopt zonder iets te zeggen door. “Mama, Sinterklaas.” De bus rijdt door. Door het glas van het bushokje kleurt de ondergaande zon het gelaat van de man. “Mama, Sinterklaas.”
De volgende morgen gaat Joyce naar school. Bij de speelplaats maakt ze zich los van haar moeder en rent naar de juf. “Juffrouw Annie!” De juf loopt door. Ze praat met kinderen. “Juf, Sinterklaas.” Maar Annie draait zich niet om. Joyce pakt haar bij de mouw van de jas. “Sinterklaas, bij de bus!” De juf blijft staan. Ze kijkt Joyce aan. “O ja?”
“Het hok van de bus. Sinterklaas.”
“Nu al?”
“Ja. Een baard, helemaal wit.”
“Dit is wel al vroeg.”
“Daar achter, Sinterklaas.” Zij wijst naar de andere kant van de speelplaats.
“Nee Joyce, Sinterklaas? Niet iedere man met een lange baard is Sinterklaas. Ook niet iedere man met een donker gezicht is Zwarte Piet.”
“Nee, ikke. Zwarte Piet. Helemaal zwart.” Ze wrijft met de handen door haar gezicht.” Joyce lacht.
Een man wast de ramen. Hij knijpt een spons boven een emmer uit. De stralen water worden druppels. Als hij weer recht staat, kijkt hij naar het meisje.
“Als de zon oranje slapen gaat, dan komt Sinterklaas. Want dan bakt hij speculaas,” zegt hij. “Let vanavond maar goed op.”
De mond van Joyce gaat open. Haar hand legt ze op het hoofd. Dit klinkt haar bekend in de oren. Sinterklaas en oranje zon. Maar ze kan de woorden niet zo snel vinden.
Als ze die avond slapen gaat kijkt ze uit haar raam. De lucht is bewolkt. Sinterklaas bakt nog niet. Hij is zeker in de bus gestapt. Misschien is er morgen, speculaas.
In de brievenbus ligt een pak reclamefolders. Op een blaadje zit Zwarte Piet tussen race-auto’s. En midden op een reclamefolder is met grote zwarte letters geschreven: Speculaas-brokken-maken, Zwarte Piet. Haar moeder leest ’t voor. Erboven staat: AH. Nu weet ze waar de Sint is. Als de zon oranje is gaat hij met de bus naar Albert Heijn. Dit weet de juf allemaal niet. De glazenwasser wel. Ze zal het hem vertellen. Joyce heeft de woorden gevonden. En de juf? Zou ze het begrijpen?

